Gerardus Magazine 2020-3

2020-3

Gedicht

Purper Geluk

Stilaan herwekt zou ik het bitter’ kruis verlaten. 
Rond het ruwe hout vlocht ik een bloemenkrans 
en groene takken van laurier en bessenbomen  
nam ik in mijn armen, ik omarmde, onbelast.

 

En de gloed van ogen, zielsweerspiegeling,  
heb ik geschouwd, gevoeld, zijn heil gevat; 
de dood is ijdel, dof en duister, hij is niets.    
In mij wil het leven stromen, omdat ik besta.

 

Geen kruisgang zal ik nog roemen, geen 
vastgenageld corpus bezweren met een kus. 
Ik mag zijn zoals eens in mijn jongheid:  
gaaf en zelfbewust; niet langer ben ik stuk, 
vernederd noch aan stervenshout geslagen, 
geen beker laaft mijn dorst met min venijn.   


Dag lijden, dag kruis, dag gij, belagers,  
dag alle holle offers, alle zeer, mijn hart  
beweegt in klop, ik ben er weer; één met 
het leven, los van het leed ga ik waar hij 
ging, zijn weg is nu mijn weg alleen; hij is 
in tijd voorbijgegaan, hij is bij mij niet meer.  
                     
Hoor hoe de vogels kwinkeleren, tjilpen luide. 
Hoor hoe de bijen zoemen, gonzen om verteer. 
In het jonge licht, purper geluk, stap ik door 
met vaste pas, mij wacht de zoete ommekeer. 

 

Wie is daar, die nog de dood bezingt? Laat af. 
Ik draag de lovertakken in mijn hart en armen. 
Ik draag de liefde in haar glanzen met me mee. 
Leven zal van het sterven winnen. Dood is nee.  

? Ine Verhoeven